Statistical Auditing (6)

Statistiek en (zelf-)destructie

Naast vaktechnische highlights, willen we in de columns af en toe wat afstand nemen en genieten van uitzicht op bijzondere trekken van het vak statistiek. Zo kun je statistiek zien als een middel tegen (zelf)destructie.

Ed Broeze

Een lamp testen op levensduur is nodig om de kwaliteit vast te stellen, maar pas als hij de geest geeft weet je wat je weten wilt. Dan heb je er echter niet veel meer aan.  Operatie gelukt, maar patiënt overleden; een destructieparadox.

Hetzelfde geldt voor het testen van de smaak van een levens- of genotsmiddel: de test maakt verkoop van het geteste product onmogelijk. Opnieuw: operatie gelukt, maar patiënt opgegeten.

Is dan testen onmogelijk als het tot destructie van het geteste product leidt? Gelukkig valt dat mee, maar je moet dan wel bereid zijn een representativiteitsveronderstelling voor lief te nemen. Twee soorten veronderstellingen komen in beeld:

  1. een steekproef is representatief voor een verzameling producten (bijvoorbeeld lampen, flesjes sportdrank) waaruit hij is getrokken of
  2. een steekproef nú is representatief voor de producten die een proces in de toekomst zal voortbrengen. 

Als je de producten in die steekproef test, blijft de letterlijke destructieparadox bestaan, maar toch kun je beslissen of een niet-geteste lamp lang genoeg zal branden. Die is als het ware plaatsvervangend getest. Dat kan heel precies als zou blijken dat al de geteste lampen even lang branden: dat wettigt de verwachting dat een niet geteste lamp ook zo lang zal branden (op basis van de representativiteitsveronderstelling).

Maar als er variatie optreedt in de kwaliteit per eenheid, zul je marges moeten inbouwen in je verwachte kwaliteit voor de niet-geteste lampen (op basis van dezelfde representativiteitsveronderstelling).

Hier komt de statistiek op een heel prettige manier om de hoek kijken: door de steekproef aselect te trekken, dat wil zeggen: zó dat iedere eenheid dezelfde kans op selectie heeft, biedt de statistiek in combinatie met de kansrekening  de mogelijkheid betrouwbaarheid en precisie van een schatting (bijvoorbeeld van de verwachte levensduur) te berekenen. Zo leidt onvoorspelbaarheid per eenheid tot voorspelbaarheid voor een hele verzameling van eenheden. Een onvoorspelbaarheidsparadox omzeilt de destructieparadox.

Een accountant wordt bij detailcontroles van omvangrijke(re) verzamelingen transacties, zoals debiteuren, ook met een 'destructieparadox' bedreigd. Volledige controle van een debiteurenbestand geeft het juiste beeld (mits geen fouten in controle) maar de accountant heeft zich dan wel uit de markt geprijsd; (zelf)destructie door perfectionisme.

Maar voor dit probleem biedt ‘de steekproef' een analoge oplossing: een aselecte steekproef uit de debiteuren laat zich controleren, uit de gevonden fouten is een schatting van de fout in de hele populatie van debiteuren mogelijk, voorzien van precisie en betrouwbaarheid. En daarop kan een beslissing over de kwaliteit worden gebaseerd.

De voor de beslissing noodzakelijke analyses zijn gefundeerd in een zeer rijk bouwwerk van statistische en kanstheorie. Dat vaart wel bij de paradox dat onvoorspelbaarheid (per geval) nodig is voor voorspelbaarheid (binnen het geheel) - zoals recht wel vaart bij blindheid van Vrouwe Justitia.

Mogelijkheden om soms onverwachte verbanden te leggen, voorspellingen te doen, of dagelijkse handelwijzen te valideren komen daarmee binnen handbereik. Van destructie naar opbouw van kennis.

Stuurgroep Statistical Auditing

De Stuurgroep Statistical Auditing is verbonden met het Limperg Instituut en heeft als doel 'het bevorderen van het correcte (effectief en efficiënt) gebruik van statistische methoden en technieken bij accountantscontroles en daarmee verwante controles op financiële verantwoordingen en overzichten'.

Ed Broeze is lid van de stuurgroep Statistical Auditing van het Limperg Instituut. Hij promoveerde in 2006 op de dissertatie getiteld 'Validation of Risk Assessment in Auditing' en werkte indertijd bij de Algemene Rekenkamer.

Gerelateerd

1 reactie

Bertusje

Een leuk verschijnsel, maar vervolgens mij is de toepassing op het hier genoemde voorbeeld niet juist. Het al of niet integraal controleren is een kwestie van efficiency; de gecontroleerde objecten (vorderingen) blijven gewoon bestaan, ongeacht of ze individueel gecontroleerd zijn. Er is dus geen destructie van het controle-object. De zelf-destructie van de inefficiente accountant is geen statistisch fenomeen. Dit is een algemener dilemma: hoeveel tijd en geld moet je steken in het controleren van een mogelijke fout van bijv. 1000 euro? Er meer aan besteden dan 1000 euro lijkt irrationeel. Een beter voorbeeld van destructie van het conrtole-objevct door controle is volgens mij: een client vermoedde dat de fiscus bij het opleggen van een naheffing vergeten was een bepaalde post ook mee te tellen, waardoor de naheffing lager uitviel dan dat de client en de accountant hadden verwacht. Maar mogelijk was de naheffing wel juist, om redenen die de client en de accountant misschien over het hoofd hadden gezien. Het meest simpele controlemiddel zou zijn om de fiscus te vragen waarom die post niet was meegenomen. Maar als inderdaad de reden was dat de fiscus dit was vergeten, zou de aanslag alsnog gecorrigeerd worden, en was de meevaller verdwenen. Dus hier wel (mogelijke) destructie van het controleobject (de meevaller). Maar dit geval staat los van statistiek, want het controlemiddel was geen steekproef. Dus de link van destructie en accountantscontrole is m.i. niet 1 op 1 met statistische controle.

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

Aanmelden nieuwsbrief

Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.