Opinie

To oob or not to oob, that is the question

Mijn carrière is nu zo’n dikke 25 jaar onderweg en volledig zonder plan. Door geluk en soms net de goede keuzes maken heb ik aardig wat ontwikkelingen van het accountantsberoep van heel dichtbij meegemaakt, zonder mijn naam in de krant overigens. Ik ben graag de assistant-to, liever in de coulissen dan op het toneel.

Heb je dan wel iets waar je met enige trots op kan terugkijken? Jawel hoor, ook al zal het anderen niet veel zeggen. Eén van de hoogtepunten van de afgelopen 25 jaar lees ik terug, iedere keer als ik de Wta er bij pak. Als AFM-afgevaardigde in het team dat de Wta schreef kan ik in die wet mijn bijdrage lezen en een heel enkele keer zelfs letterlijk mijn eigen teksten.

In de periode dat de Wta werd geschreven, was bij de accountantskantoren het begrip Public Interest Entities, of 'PIEs' in opkomst. Ik vond dat een onnodig Engelse afkorting en ergens had het ook iets viezigs, dat je 'pies-klanten' had. Daarom heb ik er voor gepleit dat in de wet die term wel zou worden opgenomen, maar dan als 'Organisaties van Openbaar Belang', de oob. Ja, je moet maar ergens trots op zijn.

Inhoudelijk zat er overigens wel een gedachte achter om die categorie te introduceren. Noch vanuit de AFM, noch vanuit het ministerie, noch vanuit de Kamer bestond een concrete behoefte om twee categorieën te introduceren. Maar het leek ons zinvol om het wel eenvoudig mogelijk te maken om, als daar behoefte aan zou blijken in de praktijk, zonder wetswijziging andere eisen te kunnen stellen aan de oob-vergunning dan aan de gewone vergunning. Tot op heden heeft de wetgever daar nauwelijks gebruik van gemaakt. Een transparantieverslag, roulatie, verplichte OKB en dan heb je het wel zo ongeveer.

De AFM maakt er wel gebruik van, zonder dat dat overigens door de wetgever is beoogd, laat staan geëist: het toezicht wordt in de praktijk grotendeels uitbesteed aan SRA en NBA, behalve voor de oob-kantoren. Maar hoewel vanuit de AFM, bijvoorbeeld tijdens een parlementaire enquête naar aanleiding van de Vestia-casus, wel eens wordt gesuggereerd dat de AFM minder middelen heeft om toezicht te houden bij niet-oob-controles, is dat simpelweg niet waar. De AFM bepaalt geheel zelfstandig haar toezichtsbeleid. En als de toezichthouder meent dat ze extra op de controle van pakweg sociale verhuurders moet letten, dan doet de AFM dat. De oob-kwalificatie is daar niet voor nodig. Andersom dwingt de oob-status de AFM ook niet tot extra toezicht. Die twee staan volstrekt los van elkaar. Het doel van de oob-status was, bij het schrijven van de wet, uitsluitend de mogelijkheid creëren om extra eisen aan de oob-vergunning te kunnen verbinden.

Direct bij het aanbieden van de wet aan de Tweede Kamer kwam wel al, met name vanuit 'linkse' hoek, de behoefte om verschillende publieke sectoren als oob aan te duiden. Toenmalig minister van Financiën Gerrit Zalm ging daar pal voor liggen en de wens is nooit gehonoreerd. Dat dit alsnog gaat gebeuren is raar vanuit de wet en de bedoeling van de wet. Het is wel te begrijpen vanuit een behoefte aan symboolpolitiek: de Kamer vindt het kennelijk fijn te vertellen dat publieke sectoren belangrijk zijn. Waarom dat via de Wta moet is wat raadselachtig, maar goed: het kan. Het is ook te begrijpen vanuit de feitelijk onjuiste suggesties die de AFM doet, zoals hiervoor genoemd. Het zou mooi zijn als Kamerleden dáár eens vragen over zouden stellen en zich wat minder zorgen zouden maken over het feit dat steeds meer kantoren hun oob-vergunning inleveren.

Want waarom doen die kantoren dat? Het kan niet zijn vanwege de verplichtingen die een oob-vergunning oproept. OKB's, een transparantieverslag, rouleren: dat moet iets minder dwingend bij een gewone vergunning, maar dat verschil is niet enorm. De kosten verschillen wel vrij fors. Grofweg is het hebben van een oob-vergunning ongeveer vier maal duurder dan een niet-oob-vergunning. Toch gaat dat nog steeds om bedragen waarvan je je niet helemaal kunt voorstellen dat je daarom van je oob-vergunning af wilt.

De geluiden die je hoort wijzen op iets anders: de AFM houdt veel strenger toezicht op de oob-kantoren dan op de niet-oob-kantoren. En dat is wel weer consistent met de eerder genoemde suggestie van de AFM dat de oob-status tot steviger toezicht leidt.

Hoewel het allemaal zo niet echt bedoeld was, is de ontwikkeling niet raar en ook niet noodzakelijk verkeerd. Ik vind het wel vreemd dat de AFM het liever aan de politiek overlaat te bepalen waar de toezichtsrisico's groter zijn. De AFM is zelf veel beter in staat te bepalen waar ze haar toezichtsuren en -euro's inzet dan de politiek. Het is immers een technische keuze, geen politieke. En juist daarom is het toezicht bij de onafhankelijke AFM belegd en niet onder directe politieke aansturing van het ministerie. De AFM heeft nu zelf veroorzaakt dat de politiek zich er toch mee gaat bemoeien. Een zwaktebod van de toezichthouder in mijn opinie.

Wat ik wel echt zorgwekkend vind (en dat is niet bepaald een originele gedachte) is dat de beschikbaarheid van accountants sterk afneemt voor een groeiende groep organisaties. Dat kamerleden daar vragen over stellen is goed, maar dat de Kamer niet inziet dat zijzelf dit probleem veroorzaakt, is wel jammer.

De oplossing is vrij eenvoudig: breid de oob-categorie niet uit en eis van de AFM dat ze zelf de verantwoordelijkheid neemt die haar door de wet is toegewezen, om zelf haar toezichtsstrategie te bepalen. Los van de aanduiding 'oob' of niet.

Wat vindt u van deze opinie?

Reageer Spelregels debat

Arnout van Kempen di CCO CISA is directeur compliance & risk bij aaff, de fusieorganisatie van Alfa en ABAB. Hij schrijft op persoonlijke titel.

Gerelateerd

3 reacties

Arnout van Kempen

Het is noch een falend geheugen, noch een tekst die tot stand is gekomen na mijn betrokkenheid. In tegendeel, het is mijn nauwkeurige herinnering over hoe deze teksten tot stand zijn gekomen onder invloed met name van het toenmalige NIVRA.

Ik ga geen wedstrijdje doen wie er het dichtste bij zat, of wie gelijk heeft. Ik wijs er slechts op dat de wet regelt, en de toelichting toelicht.

De goede lezer kan daarmee prima zelf vaststellen hoe het nu werkelijk zit.

Marianne van der Zijde

En bij 6.3 in de MvT
Het toezicht van de AFM zal zich vooral gaan richten op organisaties van openbaar belang, waaronder de beursgenoteerde ondernemingen. De AFM zal bij het toezicht op accountantsorganisaties die wettelijke controles verrichten bij andere ondernemingen dan organisaties van openbaar belang zo mogelijk in belangrijke mate gebruik kunnen maken van de eigen kwaliteitsborging van het NIVRA en de NOvAA. Dit vereist wel dat die kwaliteitsborging adequaat is. De beroepsgroepen kunnen veel zelf doen om de naleving van de normen in het wetsvoorstel te bevorderen. In dit verband is aan de AFM gevraagd om de nadere invulling van het toezicht uit te werken. Daarbij is het in het belang van het vertrouwen in de kwaliteitsborging van het beroep (door toezichthouder en beroepsgroepen) nodig dat het NIVRA en de NOvAA een scheiding aanbrengen tussen handhaving en belangenbehartiging. Zowel het NIVRA als de NOvAA ontplooit daartoe ook initiatieven

Marianne van der Zijde

Arnout, ik denk dat je geheugen je in de steek laat of dat het na je vertrek bij de AFM in 2004 toch anders in de Memorie van toelichting bij de Wta terecht is gekomen. Want de focus van de AFM op de OOB in de toezichtstrategie is wel degelijk in de Wta verankerd. Zie bij-gaande teksten uit de Memorie van toelichting Wta
6.1 Reikwijdte
4. Organisatie van openbaar belang: Het toezicht heeft betrekking op iedere accountantsorganisatie die een wettelijke controle verricht. Een wettelijke controle kan plaatsvinden bij een grote beursgenoteerde vennootschap, maar ook bij een klein familiebedrijf. De uit te voeren controle bij een klein familiebedrijf verschilt van die bij een beursgenoteerde onderneming. Aspecten als vakbekwaamheid en de inrichting van de bedrijfsvoering zullen wezenlijk kunnen verschillen tussen de twee activiteiten. Met toezicht gaan extra kosten gepaard en daarom is het niet wenselijk dat op alle te onderscheiden bezigheden van de accountantsorganisatie eenzelfde vorm van toezicht of toezicht van dezelfde intensiteit van toepassing is. Een vorm van differentiatie is uit het oogpunt van beperking van de administratieve lasten wenselijk. In het wetsvoorstel is dit uitgewerkt door een onderscheid aan te brengen tussen «organisaties van openbaar belang» enerzijds en overige organisaties anderzijds. Zie verder de toelichting op artikel 1, onderdeel h.
5. Onafhankelijk publiek toezicht: Het onafhankelijk publiek toezicht wordt uitgeoefend door de AFM. Het toezicht is risicogeoriënteerd, waardoor minder aandacht zal worden besteed aan accountantsorganisaties die naar het oordeel van de toezichthouder een beperkter risicoprofiel kennen. Dit is onder meer het geval indien zij controles verrichten bij organisaties die geen organisatie van openbaar belang zijn.

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

Aanmelden nieuwsbrief

Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.